Hoe de overheid zichzelf in de voet schiet met lage-emissiezones


OPINIE – Het bannen van dieselauto’s uit de stadscentra had als doel de luchtkwaliteit te verbeteren. De benzinewagens die opnieuw verkozen worden boven de dieselauto’s lossen de problemen echter niet op. Gerrit Nollet – CEO bij Mobly – pleit voor een doordacht plan rond de elektrificatie van de Belgische automarkt. Hij legt de verantwoordelijkheid daarvoor bij de overheid.

Benzine is niet beter

Sinds 2018 vindt een ‘ontdieseling’ plaats in ons land. Het marktaandeel van dieselwagens lag eind 2017 op 46% en daalde dit jaar onder de symbolische grens van 30%. Het zijn in de eerste plaats benzinemotoren die van de lage-emissiezones profiteren. Hun aandeel steeg van 48% (eind 2017) tot 64% in het eerste trimester van 2019.

“Benzinewagens stoten minder fijn stof uit en vormen daarom een beter alternatief dan dieselauto’s”, luidt de denkwijze van de overheid bij het invoeren van de lage-emissiezones (LEZ). Die redenering is ondertussen achterhaald, want met de nieuwste dieselmotoren (Euro 6-norm) is er op vlak van luchtkwaliteit bijna geen verschil meer tussen diesel en benzine. Daarnaast stoten benzinewagens tot 15% meer CO2 uit.

Als je de twee voornaamste problemen – fijnstof (dat voornamelijk invloed heeft op luchtkwaliteit) en CO2 (invloed op milieu) – wil aanpakken, dan is diesel niét de slechtste leerling van de klas. Maar we vervangen ze wel allemaal door wagens die meer CO2 uitstoten. Op die manier staan we dus nog een stukje verder van onze CO2-doelstelling. Only in Belgium.

Waar blijft de (elektrische) oplossing?

lage-emissiezones

En toch is de oplossing niet ver te zoeken: elektrische wagens hebben een kleinere ecologische voetafdruk en een zero-emissie-uitstoot. Consumenten aarzelen wel nog om voor elektrische wagens te kiezen. Geef hen eens ongelijk, want naast het (vooralsnog) hoge aankoopbedrag is er maar de vraag waar je je wagen kan laden. Het is aan de overheid om hierin te investeren, net zoals dat in andere landen al het geval is. Gek genoeg handelt het nieuwe regeerakkoord bitter weinig over elektrische wagens.

Investeren in publieke oplaadpunten

Cijfers van ACEA (European Automobile Manufacturers Association) bevestigen dat de aanwezigheid van publieke laadpunten cruciaal is voor de uitrol van de elektrische auto. En vooral in een verstedelijkt gebied zoals de Benelux is er nood aan.

En België hoeft maar naar boven te kijken om zich te laten inspireren. Nederland staat voor op vlak van mobiliteit: vandaag rijdt er 6,7% van de automarkt elektrisch en 1 op 10 verkochte wagens is elektrisch.

Bij onze noorderburen tellen we maar liefst 42.000 publieke oplaadpunten, waarvan alleen al in Amsterdam 4.000. Ons land telt er – hou u vast – 3.000. En dan moet je weten dat het in Vlaanderen anderhalf tot 3 jaar duurt om een snellaadpunt te plaatsen. Het is duidelijk dat we nog een hele weg af te leggen hebben.

Overheidsbudget voor elektrische premie blijft onaangeroerd

De registratie van nieuwe elektrische wagens gaat in stijgende lijn, maar slechts 20% wordt door particulieren gekocht. Met andere woorden: 80% van de elektrische auto’s zijn bedrijfswagens. En dus komt de gekende premie (voor voertuigen met een zero-emissie-uitstoot) niet van de grond. De Vlaamse overheid had veel meer geld ter beschikking gesteld van elektrische rijders, maar daar werd dus geen gebruik van gemaakt.

Een doordacht plan rond de elektrificatie van de Belgische automarkt is cruciaal. De overheid moet dringend de focus leggen op publieke laadpunten en beter communiceren over de premie voor zero-emissie-voertuigen met oog op de klimaatdoelstellingen en de gezondheid van alle Belgen.

Wat vind je van dit artikel?

Gemiddelde beoordeling / 5. Aantal beoordelingen:

Dat vinden we jammer om te horen